Henk Taai

NL

ENG

Home Opdracht voltooid Biografie Boek  Reconstructie van 21 juni 1944  De Arrestatie van Hannie Schaft Historische foto's Artikel NHD Contact Werk Home Page - Eng Biography - Eng The Book - Eng Contact - Eng

Reconstructie van 21 juni 1944

NSB kapitein Willem Ragut

De aanslag op kapitein Willem Ragut werd één van de bekendste aanslagen die het communistisch verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog in de Zaanstreek heeft gepleegd. Omdat deze aanslag mij zo fascineert, wilde ik perse weten wat er voor, tijdens en na de aanslag precies is gebeurd. Na de inzage van vele archiefstukken van het GAZ, het NIOD en het Nationaal archief, heb ik een beeld gekregen van wat er precies is gebeurd op die fatale dag van 21 juni 1944. Mijn conclusie is dat Jan Bonekamp, na de aanslag op Ragut, naar het politiebureau aan de Vinkestraat te Zaandam vluchtte omdat hij dacht daar bondgenoten te vinden. Waarom? Oordeelt u zelf….


Jan Bonekamp kende de weg

De reden waarom ik denk dat Jan Bonekamp de weg in Zaandam kende, vloeit voort uit de verklaring van Jan Brasser op bladzijde 110 van het boek “Witte Ko herinneringen uit het gewapend verzet”. Op deze bladzijde omschreef Jan Brasser in detail hoe hij, Jan Bonekamp en Hannie Schaft, daags voor de aanslag, de voorbereidingen troffen. Een citaat:


“Ik had niet lang tevoren contact gehad met een inspecteur van politie, Bob Pel, ook in Zaandam dus. Daar had ik alle mogelijke inlichtingen van ontvangen. Ook een waarschuwing. Denk erom: het kan zijn dat ie twee pistolen bij zich heeft. Hij heeft wel eens gezegd als er aanslagen hadden plaats gevonden: Als het mij gebeurt, zal ik zorgen dat ik ze voor ben. Ik ben op m’n hoede. Dus hij wist ook wel dat er op hem geloerd kon worden gezien zijn activiteiten. Ik heb met Jan afgesproken, want de volgende dag moest ik naar Amsterdam en de daarop volgende ochtend zou ik terugkomen. Dan zouden we elkaar treffen in het café, schuin tegenover het station in Zaandam. Zo en zo laat daar zijn. Hij en Hannie waren daar op de afgesproken tijd. Ik heb verteld wat ik wist, vooral de informatie van Bob Pel. Ik zei: Dan gaan we nou de route fietsen van zijn adres aan de Westzijde naar het politiebureau in de Vinkestraat. Dat hebben we gedaan. Daarna ben ik m’n gang weer gegaan. Jan zei: Het komt in orde. Hannie zei: We zullen proberen het zo vlug mogelijk te doen, want er is nog veel meer werk aan de winkel.”


Dit vormt voor mij het bewijs dat de route vanaf de woning van Ragut tot aan de Vinkestraat was bestudeerd. Verder wisten Jan Bonekamp en Hannie Schaft dat Jan Brasser contacten onderhield met wachtmeester van politie, Bob Pel, een bondgenoot! In de bijlage vindt U een kopie van dit citaat. (bron: “Witte Ko herinneringen uit het gewapend verzet”, Uitgeverij Pegasus te Amsterdam)

De aanslag

Het niet-openbaar politierapport van 21 juni 1944 omschrijft in detail wat er op de bewuste ochtend is gebeurd. Het politierapport vermeld het plaats delict, de betrokkenen politieagenten en de namen van de leden van de geneeskundige dienst die de dood en doodsoorzaak vaststelden. Ook het tijdstip van het rapport geeft een beeld van de aanslag. Het was negen uur in de ochtend. Een spertijd. Hier volgt het rapport. (Bron: GAZ, archiefnummer OA-0054, inventarisnummers 175, 175E, 176, 180E)


Tijd 9 uur. Komt a/h bureau Wachtmeester Venema die mededeelt

dat even te voren dat Kapitein van Politie WM Ragut in de Westzijde

thv Bootenmakersstraat is neergeschoten. Onmiddellijk Hoofdwachtmeester

v/d Schaaf met het beschikbare personeel daarheen gezonden.

Geneeskundige dienst er mede in kennis is gesteld. Later meldt dat Opperwachtmeester van Galen dat genoemde kapitein tengevolge van een schotwond in den rug is overleden. De doktoren van Dam, Kummer en Brat waren nog ter plaatse van den aanslag geweest. Het lijk is per ziekenhuis

naar het Gem. Ziekenhuis vervoerd en daar voorlopig onder bewaking gesteld. Kort nadat Hoofdwachtmeester v/d Schaaf was heengezonden, brengt deze met Hendrikse en Jansen a/h bureau een man die lag in de steeg

naast den bloemenwinkel van Schipper i/d Westzijde, die eveneens

door een schot gewond bleek te zijn. Daar dit de vermoedelijke dader van genoemden aanslag was, hem in cel II gelegd. Vanwaar Schuuring v/d GGD

is deze persoon die bleek te zijn genaamd: Bonekamp won. te IJmuiden aan den Frans Halstraat , door de doktoren van Dam en Brat levend onderzocht

en behandeld. Autoriteiten en S.D. met een en ander in kennis gesteld. Door laatst genoemde is hier ter plaatse een onderzoek ingesteld en op diens last is Bonekamp per ziekenauto medegenomen om naar Amsterdam te worden overgebracht.


Arrestatie van Jan Bonekamp

Wat er vlak na de aanslag en voor de arrestatie van Jan Bonekamp is gebeurd, valt op maken uit het CABR dossier van Tonny Jansen. Het dossier  CABR 64424 II bevat een verhoor van Jan van der Schaaf van 15 januari 1946, afgenomen door Mr. Christiaan Frederik Klokke (Officier-fiscaal) inzake de vrijlating van Tonny Jansen. Jan van der Schaaf, geboren 6 juli 1888 te Driesden, brigadier rechercheur van politie en wonende te Zaandam, Savornin Lohmanstraat 4a, verklaarde als volgt:


“Jan Bonekamp is weggehaald door Pel, Jansen, van der Meij en mij. Ik geloof, dat Pel de eerste was, die bij Bonekamp kwam, die lag te sterven achter de woning van Schipper in de Westzijde, te Zaandam. Hij moet vanaf de Vinkestraat achter die woning zijn gekomen. Op dat moment was ik niet aan het bureau. Ik kan me niet meer herinneren waar ik wel was. Evenmin weet ik, wie hem verhoord heeft. Ik heb nog getracht Bonekamp op mijn rug te nemen, echter ging dit niet. Pel zei, dat hier niets meer te redden viel.“


Dit vormt het bewijs dat Jan Bonekamp niet meer te redden viel en te zwaar was verwond door de kogels die door Ragut waren afgevuurd. Met andere woorden: Jan Bonekamp was ten dode opgeschreven en kon niet meer geholpen worden. In het desbetreffende dossier  van Tonny Jansen vond ik ook een verhoor van wachtmeester Robert Pel. Pel (roepnaam: Bob) werd gehoord op donderdag, 23 december 1948, toen 34 jaar oud en commissaris van politie 1ste klasse die het volgende verklaarde:


“Het stond algemeen vast dat Ragut een gevaarlijke medewerker voor de S.D. was en uit de weg geruimd moest worden. Er waren destijds in Beverwijk al meerdere aanslagen op hem gepleegd, doch deze waren mislukt. Hoewel ik in principe een tegenstander ben van het elimineren, het eigen rechter spelen en ook al door de gewelddadige represailles die daarop genomen op de onschuldige burgerbevolking, meende ik toch dat het geval Ragut dusdanig noodzakelijk was dat deze geëlimineerd moest worden en hiervoor dus een uitzondering op zijn plaats was. Nadat de gewestelijk commandant, overste Wastenecker tot de eliminering van Ragut opdracht had gegeven, heb ik aan deze opdracht ook mijn medewerking gegeven. Daartoe kwam de commandant van de G.S.A. de heer Co Brasser bij mij aan huis en vroeg mij alle bijzonderheden, welke van nut konden zijn bij deze aanslag. Ik heb daartoe de heer Brasser geadviseerd, teneinde misverstand te voorkomen de heer Ragut neer te schieten op de dag dat hij in Amsterdam zijn bijeenkomsten voor Korpscommandanten had. Dat was de enigste dag in de maand dat de heer Ragut in uniform liep. Verder deelde ik mede waar de heer Ragut precies woonde en dat hij de gewoonte had om 08.25 uur van huis te vertrekken door de Westzijde naar het bureau aan de Vinkestraat te Zaandam, waar hij dan zijn auto nam en naar Amsterdam liet brengen. Brasser kon zich hiermede volkomen verenigen en deelde mij nog mede dat hij voor de actie enige verzetsmensen uit Velzen en Beverwijk had aangewezen, aangezien de Zaandamse verzetsmensen op dat tijdstip te veel in het oog zouden lopen. Verder hebben wij de mogelijkheden besproken, hoe de daad zou worden uitgevoerd en werd besloten dit per rijwiel achterop rijdend te doen. Van deze afspraak heb ik niemand ingelicht met uitzondering van één man: Dr. Levend. Aangezien deze na de aanslag ongetwijfeld als politiearts zou moeten optreden. De voorgenomen aanslag werd op het afgesproken tijdstip uitgevoerd met dien verstande, dat het Ragut nadat hij 2 schoten in de rug had ontvangen, gelukte de illegale werker Jan Bonekamp in de zijde met zijn dienstrevolver te schieten, die hierdoor gewond raakte. Hannie Schaft schijnt ook hierbij aanwezig te zijn geweest en toen onopvallend aan Ragut het genadeschot te hebben toegebracht. Ik was op dat moment aan het bureau en druk aan het werk op de foto-afdeling. Toen ik beneden in het bureau kwam, was Jansen ook juist aan het bureau en werd Bonekamp door gewond door Van der Schaaf en enige rechercheurs binnengebracht. Van der Meij deelde mij mede, dat hij juist bij Ragut waas geweest, die dood zou zijn en dat er een laken overeen was gelegd. Ik wist dus dat gedeelte in orde was. Jansen was erg zenuwachtig en Vitters ook. Dr. Levend werd onmiddellijk gewaarschuwd. Dr. Levend kwam en onderzocht Bonekamp, die gewond in de cel lag en hevig bloedde. Na dit onderzoek sprak ik Dr Levend even terzijde aan en vroeg hem, hoe de toestand van Bonekamp was en zeide hij: zeer slecht. Hij heeft zich er toen beslist niet over uitgelaten, dat de dood van Bonekamp in een beperkt tijdslimiet zou intreden. Ik heb nog een ogenblik overwogen, om de K.P. te laten komen en een overval te laten doen, doch de Duitse druk op ons politiebureau werd inmiddels zo groot, dat dit onmogelijk werd. De SD was zeer spoedig aan ons bureau en is vermoedelijk direct door Jansen of Vitters gewaarschuwd. De Duitsers haalden er een Duitse dokter bij en ik voelde dit als een wantrouwen tegenover Dr. Levend. De Duitsers hebben toen eerst, naar ik meen met opperluitenant Van Gaalen de vrouw van Bonekamp gearresteerd en overgebracht naar ons bureau te Zaandam. Bonekamp was eerst aan het bureau nog bij kennis, doch geraakte toen buiten bewustzijn en werd later bewusteloos in de ziekenwagen gedragen en naar Amsterdam gebracht. Ik kan mij niet herinneren, dat ik de fouillering van Bonekamp heb gezien en ik weet dan ook niet of hij de foto van Hannie Schaft bij zich heeft gehad. Ik liet mij niet over mijn wetenschap van deze aanslag tegen Jansen uit en hij was erg bang en geducht mogelijk ook gevaar voor zichzelf, temeer, omdat hij niet wist uit welke hoek de wind waaide….”


Deze verklaring vormde voor mij het tweede bewijs dat Jan Bonekamp niet te redden viel. Het bijzondere in deze verklaring is de rol van Dr. Levend. Het was namelijk niet Dr. Levend die niet op het plaats delict aankwam maar doktoren van Dam, Kummer en Brat. Dokter Levend heeft alleen Jan Bonekamp onderzocht en zijn overlevingskansen ingeschat. En die waren slecht.  Ondanks dat er niet openlijk over werd gesproken was het duidelijk dat de dood van Jan Bonekamp in een beperkt tijdslimiet zou intreden.  Met andere woorden: Bonekamp viel niet meer te redden.

(Bron: CABR 64424 II)


Een handlanger

Uit angst voor represailles, besloot Tonny Jansen direct om contact op te nemen met de Sicherheits Dienst om te melden dat de dader van de aanslag op Ragut was gearresteerd. Een opluchting voor het korps want er zouden tien niet-Duits gezinde politieagenten gefusilleerd worden en stond wachtmeester Taai, samen met negen anderen, bovenaan een dodenlijst. Ondanks ik hier geen bewijzen voor heb kunnen vinden, berust dit op mondelinge bronnen. Wel heb ik in het Nationaal Archief bewijs gevonden dat het bestaan van Silbertannelijsten onderschrijft.

Het is heel aannemelijk dat wachtmeesters Taai en Venema door Tonny Jansen onder zware  druk zijn gezet. Zij waren namelijk de eerste twee agenten ter plaatse die het één en ander moeten hebben gezien. Uit angst voor represailles vermoed ik dat wachtmeesters Taai en Venema, na dit verhoor van Tonny Jansen, het signalement van Hannie Schaft hebben verstrekt. Er was namelijk een handlanger, een meisje met rood haar. Waarom ik dit vermoed, vloeit voort uit een verklaring van Emil Rühl welke ik vond in het NIOD te Amsterdam. Dit verhoor van Rühl gingen over de aanhouding van Hannie Schaft en verklaarde hij hoe Schaft ter sprake was gekomen. Hier volgt een andere verklaring Emil Rühl van 21 mei 1945 die, na de arrestatie van Hannie Schaft, het volgende verklaarde:


“Toen ik het meisje afhaalde en ik haar zag, herinner ik mij dat haar signalement reeds geruimen tijd daarvoor ter sprake was gekomen en wel bij den moord op den Politieman Ragut te Zaandam. De Nederlander Jan Bonekamp, die Ragut neerschoot, werd zo zwaar gewond, dat hij tengevolge hiervan overleed. Voor hij stierf heb ik hem gehoord. Dit ging zeer gebrekkig. Het verhoor vond plaats in een lazaret van de Luftwaffe te Amsterdam, waarheen Bonekamp was overgebracht. Ik heb hem toen ondervraagd, wie zijn medewerkster was, aangezien er bij den moord op Faber te Heemstede en op Ragut, behalve Bonekamp, ook een meisje was gesignaleerd”.


Dat laatste kon de SD niet weten. Er waren twee politieagenten die de daders hebben gezien en dat waren wachtmeesters Taai en Venema. Redenen genoeg om aan te nemen dat beide agenten onder druk waren gezet om te vertellen wat ze hadden gezien op die fatale ochtend van 21 juni 1944. (Bron: NIOD Amsterdam, Dossier 249 / inventarisnummer 1193-2)


Lages en Rühl

Welke SD’ers naar het politiebureau aan de Vinkestraat waren gegaan werd duidelijk na het lezen van het verhoor van Emil Rühl welke ik vond in het dossier van Tonny Jansen. Emil Rühl, geboren te Gevelsberg 8 mei 1904, Kriminalsekretär bij de Sicherheitsdienst, te Amsterdam, gewoond hebbende  te Duisburg, Buchholzstrasse 93, verklaarde het volgende:


“Na de moordaanslag op Ragut is de dader op een fiets gevlucht en werd tijdens zijn vlucht door den stervende Ragut beschoten en zwaar verwond door een nier- of leverschot. Bonekamp heeft zich toen nog, volgens een mededeling van de Nederlandse politie, tot in een huis gesleept, alwaar hij door den politiewachtmeester van der Schaaf kon worden gearresteerd. Op hem werden twee pistolen gevonden en wel een 9 mm. pistool en een klein 6.35 mm., die ons later werd overhandigd. Van Lages ontving ik de opdracht hem samen naar Zaandam te rijden, om aldaar onderzoek in te stellen want de Nederlandse politie had Lages betreffende de moordaanslag op Ragut in kennis gesteld. Ik ben toen met Lages, den Chauffeur Franz en nog een beambte, naar Zaandam gegaan. Hier hoorden wij van wij van luitenant Jansen dat Ragut reeds was gestorven. De dader was door Jansen in een cel gezeten de Nederlandse SS-man Vogel hield de wacht voor de cel, opdat niemand zich met den dader in verbinding kon stellen. Hier zien wij voor het eerst den dader, die zich Bonekamp noemde. Door de voorzorgen van Jansen was het dus niet mogelijk met Bonekamp in contact te komen en hierdoor was dus niet in de gelegenheid om eventueel nog personen te waarschuwen. Daar de dader zichtbaar zwaar gewond was, stuurde Lages den chauffeur Franz naar het Luftwaffenlazaret te Amsterdam om een bevriende “stabarzt” van Lages te halen, die zou onderzoeken of de gewonde vervoerd kon worden. Op grond hiervan is hij met een ziekenauto naar het Luftwaffenlazaret gebracht. Het transport naar Amsterdam heb ik zelf begeleid. Met den stafarts had ik afgesproken, dat zodra Bonekamp geschikt was om te worden verhoord. Ik ben toen met Kuiper naar het Lazaret gegaan. Hier hebben we toen Bonekamp samen gehoord. Gedurende het verhoor bevond zich een duitse verpleegster in de kamer, die van den arts de opdracht had toe te zien en wanneer Bonekamp te zwak werd, dan moest zij ons waarschuwen, zodat wij het verhoor konden staken. Tijdens zijn verhoor gaf hij de volgende moordaanslagen toe; politie-kapitein Ragut, Bakker Faber uit Haarlem, agent van politie Roozendaal  uit IJmuiden, opperluitenant van politie Rittman, uit Velsen, agent van politie en lid van de Germaanse SS, Langedijk. De moordaanslag op Faber en Ragut had Bonekamp met een Nederlandse, genaamd Annie Schaft, wonende te Haarlem, Dortstraat 60, uitgevoerd.”

(Bron: CABR 64424 II)


Mijn stelling inzake Jan Bonekamp werd door een kenner van de Zaanse oorlogsgeschiedenis  niet erkend. In een tegenreactie in het Noordhollands Dagblad:  “Er is geen aanwijzing voor, de afstand was te groot voor een zwaargewonde en het risico om een foute politieagent te treffen was groot”.   Als dat inderdaad zo is, stel ik u als lezer twee vragen:

1) Wat bezielt iemand, na het plegen van een aanslag op een kapitein van politie, om regelrecht naar het politiebureau te fietsen? Hij had ook een andere route kunnen kiezen!

2) Waarom staat de steeg naast de bloemenwinkel van Schipper zo nadrukkelijk vermeld in het politieregister? Om de hoek van het Floratheater was namelijk het politiebureau gevestigd!


Jan Bonekamp kende de weg! De route vanaf de woning van Ragut aan de Westzijde 77a naar het politiebureau gelegen aan de Vinkestraat was daags voor de aanslag bestudeerd. Hij vluchtte naar het politiebureau omdat hij dacht bondgenoten te vinden die hem kon laten onderduiken. Maar de bondgenoten kon hem niet helpen omdat hij zwaar gewond was en men niet wist wie in het politiekorps wel te vertrouwen was en wie niet….


  Het politiebureau aan de Vinkestraat 4 in Zaandam                          De steeg naast de bloemenwinkel van Schipper       



De aanslag op Ragut in Acrylverf                                   © Henk Taai Jr